Rotterdam, 1992 (1990-1992)

Kameel met begeleider (1992)
“ik wil in de openbare ruimte het beeld terug vinden. Het gaat mij niet om een pleidooi voor intergrerende maatregelen. De voorstelling van de kameel en begeleider gaat zuiver en alleen over de realiteit van het voorstelbare: waarin de flexibiliteit van de verbeelding getoetst wordt, zonder dat daarbij de band met de realiteit wordt verbroken of versterkt; het wordt verbeeld.” Gedeelte uit de tekst voor het winnende voorstel, 1990. Het kunstwerk is een geschenk van het jubilerende bouwbedrijf DURA aan de Gemeente Rotterdam.

“Henk Visch zet Kunsthal in woestijn”
“Een bronzen kameel op lichtblauw beton”, ”Bronzen beeld in betonnen woestijn”, “Henk Visch zet Kunsthal in woestijn”. Dit waren krantenkoppen van 26 oktober 1990 die mij gelukkig maakten, ik had immers net de internationale prijsvraag gewonnen die Bouwbedrijf DURA BOUW B.V. , in overleg met de KunstHal tgv van de viering van het 135 jarig bestaan van het bedrijf had georganiseerd, met de bedoeling de stad Rotterdam een geschenk te geven. Ik kon mijn werk maken, dat maakte mij gelukkig. Dura was de grote herbouwer van Rotterdam na de tweede wereldoorlog en sterk verbonden met de stad waar ook mijn vader zijn jeugd had door gebracht.
Mijn voorstel was door de voorzitter van de jury, Wim Beeren een dag eerder bekend gemaakt tijdens een grote jubileumviering in de Doelen te Rotterdam. Het rapport spreekt van “een grote eenstemmigheid over de tot de totstandkoming bij de keuze” en prijst ook de “visie op de totale situatie rondom de nieuwe kunstHal”. Het concept voor dit kunstwerk was een nadrukkelijk statement over de plaats en de functie van het kunstwerk in het grotere geheel van het maatschappelijk verband:
“De Kameel en begeleider staan in een vlakte, op een betonnen vloer, op een sokkel zonder drempel voor het kunstwerk, de KunstHal en bezoekers. De sculptuur staat in een leegte waar plaats niet gedefinieerd is -plaats is er overal, plaats genoeg. Hier staat de idee van misplaatstheid ter discussie, omdat misplaatstheid slechts kan bestaan in een relatie tot een definitie van plaats. En deze ontbreekt hier. Misplaatstheid wordt de benoeming van een nieuwe plaats; plaats wordt herbenoemd. Dit opent perspectieven.”
Ik wilde de vervreemding verbeelden op een manier dat het realiteit werd, onontkoombaar aanwezig. Een kunstwerk kan dit.
In de presentatie van mijn werk gebruik ik geen sokkels; de wereld is de sokkel voor al mijn kunst. Dit betekent dat het kunstwerk in een open verband staat met zijn omgeving, niet dogmatisch gepositioneerd, maar bewegelijk en onderhevig aan alle vormen van verandering, die in een nomadische context, in een veranderende wereld het sociaal, cultureel en maatschappelijk verband beïnvloeden. De licht-blauwe betonnen vlakte bij de KunstHal zou die uitbreiding van het kunstwerk als iets dat in de wereld is, kunnen laten zien en afdwingen.
Om technische redenen kon de betonnen vlakte niet uitgevoerd worden. Het plan om met blauw geglazuurde stenen een weg, romantisch en nostalgisch tussen het natuurhistorisch museum en de KunstHal aan te leggen, kon in mijn visie geen locatie zijn voor mijn kunstwerk. Het miste volledig de openheid van de vlakte. Ik moest op zoek naar een alternatief. Na dagen van intense communicatie tussen KustHal, architect, Dura Bouw en mijzelf werd op 20 oktober 1992 op mijn verzoek en onder supervisie van OMA, De kameel en begeleider geplaatst op de oranje stalen balk boven op de dakrand van de KunstHal. Ik schreef aan Rem Koolhaas: “Hier op de balk zoekt het beeld geen plaats maar een weg – een uitweg- uit de voorstelling naar de wereld en het is hiervoor op deze smalle balk gestapt”.
De blauwe vlakte is de blauwe lucht geworden. De kameel en begeleider turen sindsdien in een denkbeeldige verte, onverstoorbaar, tevreden en goed verankerd.
Henk Visch